Tang (618-906)

De laatste jaren van de Sui werden gekenmerkt door opstand en burgeroorlog. Nadat Yangdi naar het zuiden was gevlucht, liet een hoge ambtenaar, Li Yuan, zich in 618 tot keizer Gaozu van de Tang-dynastie uitroepen. Het bestuur van de Tang, dat voortbouwde op de instellingen van de Han en de Sui, was sterk gecentraliseerd. Iedere volwassen man kreeg land toegewezen en moest daarvoor belasting betalen en diensten verrichten.
Gaozu werd in 626 opgevolgd door zijn tweede zoon, Taizong. Diens
heerschappij kenmerkte zich door het opbouwen van een loyaal
ambtenarencorps. Taizong wist de Turken, die Noord-China bedreigden, in
630 beslissend te verslaan en hij herstelde het Chinese gezag over de
Zijderoute.
Perzen, Arabieren, Uyguren en joden kwamen langs deze
handelsweg het land binnen. Zij hadden hun eigen wijken in Chang'an en
Luoyang en brachten hun eigen cultuur en religies.
Onder Taizong en zijn opvolger Gaozong bereikte China een enorme omvang, tot in het huidige Pakistan, Iran, Afghanistan, Uzbekistan, Korea en Vietnam, terwijl vele rijken er omheen tribuut betaalden aan de Chinese keizer. Dit gold bijvoorbeeld voor Tibet, Japan, Nanzhao (een Dai-rijk in Yunnan) en allerlei Zuidoostaziatische staatjes. Zo rond 670 raakte de Tang echter in het defensief, moest zich terugtrekken uit Korea en werd bedreigd door Tibetanen en Turken. Binnenlands was sprake van een groeiende bevolking en bureaucratie, landconcentratie en te hoge militaire uitgaven.
Keizerin Wu, die het Chinese hof van 655 tot 705 domineerde, voerde enige hervormingen door in het bestuurssysteem met de nadruk op een geleerde elite. Na haar dood raakte het hof verder in de greep van bloedige intriges en corruptie. De regeerperiode van Xuanzong (712-756) zorgde voor een wederopleving. De generaals van de grensgebieden waren echter steeds machtiger geworden. De noordoostelijke generaal An Lushan kwam in 755 in opstand, waardoor de grensbewaking werd verwaarloosd. De opstand werd weliswaar onderdrukt, maar ten koste van een gebiedsuitbreiding van Tibet naar het noorden.
Intern kon de Tang haar macht alleen herstellen met behulp van de provinciale gouverneurs. In het noorden waren dat meestal generaals (en vaak eunuchen) met een hoge mate van zelfstandigheid die weinig van de belastingopbrengst naar het hof lieten vloeien. De keizerlijke hoofdstad werd steeds afhankelijker van de Yangzi-delta, die een sterke economische en bevolkingsgroei doormaakte. Hier was meer sociale mobiliteit en ontstond een bredere elite, bestaande uit een geletterde klasse van landheren en stedelijke kooplieden. Vanaf 830 kreeg het Yangzi-gebied echter te maken met natuurrampen, terwijl ook de belastingdruk steeds zwaarder werd. Er ontstond onrust die in het midden van de 9e eeuw culmineerde in rebellie, muiterij en opstanden. In 880 wist een bandietenleger Chang'an in te nemen. Ook nadat deze opstand was onderdrukt bleef het onrustig en was de Tang feitelijk een verzamelnaam voor elkaar bestrijdende regionale regimes.
Naar VIJF DYNASTIEËN EN TIEN KONINKRIJKEN / Terug naar overzicht Geschiedenis tot 1949
