Geschiedenis van China

Prehistorie
Al een miljoen jaar geleden leefden er mensachtigen in China. Fossielen van aapmensen zijn gevonden in Yuanmou (provincie Yunnan) en in Lantian (provincie Sichuan). De overblijfselen van de Pekingmens te Zhoukoudian, vlakbij Beijing, zijn meer dan een half miljoen jaar oud.
Neolithicum

Rond 5000 v.Chr. ontstonden de eerste landbouwgemeenschappen in de buurt van de grote rivieren. Een voorbeeld is Banpo bij Xi'an. Het dieet werd aangevuld door jacht en visvangst. In deze tijd werd ook het aardewerk uitgevonden. Er ontwikkelden zich meer complexe samenlevingsvormen, van familiegroep naar clan en stam. Een van de machtigste stammen in de vallei van de Gele Rivier (Huanghe) werd zo'n 4000 jaar geleden geleid door Huangdi, de legendarische Gele Keizer, die als stichter van de Chinese natie wordt beschouwd. Vanaf de 21e eeuw v.Chr. vormden de Xia 500 jaar de belangrijkste stam.
Shang (16e-11e eeuw v.Chr.)

De Xia werden vanaf de 16e eeuw v.Chr. overvleugeld door de Shang. Onder hen ontstond een sacraal omlijst koningschap, met de stad Anyang als centrum. Op cultureel gebied bereikte vooral het gieten van bronzen, symbolen van adellijke macht, een hoog niveau. Ook dateren uit de Shang de eerste voorbeelden van het Chinese schrift: pictogrammen op orakelbeenderen, schildpadschilden en bronzen.
Zhou (11e eeuw-221 v.Chr.)

In de 11e eeuw v.Chr. namen de Zhou de macht over. Deze verplaatsten hun hoofdstad in 771 v.Chr. naar het oosten, naar Luoyang. Het tijdvak vanaf deze verhuizing tot 476 v.Chr. staat bekend als de Periode van Lente en Herfst, naar een geschrift van de wijsgeer Confucius die in deze tijd leefde. De landbouw ontwikkelde zich volgens een feodaal systeem. In de 5e eeuw v.Chr. brokkelde de centrale macht van de Zhou steeds meer af. In feite werd China een lappendeken van meer dan honderd vorstendommen. Deze rijkjes hadden het voortdurend met elkaar aan de stok, vandaar dat dit wel de Periode van de Strijdende Staten (475-221 v.Chr.) wordt genoemd.
Qin (221-207 v.Chr.)

In 221 v.Chr. slaagde de vorst van de staat Qin er in om de andere rijken te onderwerpen en China te unificeren. Qin Shi Huangdi noemde hij zich toen: Eerste Keizer van China. Xianyang (nabij Xi'an) werd de hoofdstad. Het rijk werd verdeeld in provincies met aan het hoofd benoemde gouverneurs in plaats van keizerlijke feodale vazallen. Er was standaardisatie van maten, gewichten, schrift en wetten. De wetten waren zeer streng. Een groot deel van de bevolking werd ingeschakeld bij het aanleggen van enorme bouwwerken: de paleizen en het grafcomplex (met het terracottaleger) van de keizer en de Grote Muur, waartoe bestaande verdedigingswerken aaneengevoegd werden tegen de dreiging van de nomadische Xiongnu ('Hunnen') uit het noorden.
De dynastie was echter geen lang leven beschoren. Na de dood van de eerste keizer in 210 v.Chr. kwam de weerstand tegen alle harde maatregelen aan de oppervlakte. De edelen van de verschillende vroegere rijken wilden hun voormalige posities herwinnen en vele boeren kwamen in opstand tegen de zware belastingen, de dwangarbeid en de militaire dienstplicht, die vooral op hún schouders drukten. De belangrijkste boerenleider was Liu Bang. Eerst werd hij koning van het rijkje Han, vervolgens versloeg hij alle anderen en stichtte een nieuwe dynastie.
Han (206 v.Chr.-220 na Chr.)
Tijdens de Han-dynastie werden de fundamenten voor de Chinese staatsinrichting en natie gelegd; nu nog noemen Chinezen zichzelf Hanren, Han-mensen. Het beleid was gericht op consolidatie, economische groei en een gezonde staatshuishouding via belasting op goederen, en op het rustig houden van de nomaden langs de noordgrenzen. Het confucianisme (zie: Geestelijk Leven) werd na verloop van tijd de staatsideologie.
De periode 135-90 v.Chr. werd gekenmerkt door expansie. Binnen het rijk reguleerde het hof steeds meer van de economie, o.a. door monopolies op zout en ijzer en controle op het slaan van munten. Naar het noorden waren er veldtochten tegen de Xiongnu om de dreiging van plundertochten weg te nemen. De Han breidde naar het noorden zijn invloed uit tot in Korea en naar het westen tot de Taklamanwoestijn om de handel langs de Zijderoute te beschermen. Richting zuiden was er expansie tot in Yunnan (vooral vanwege de handelsroute via Dali naar Birma en India), Guangxi, Guangdong, Fujian en Vietnam.
Rond 90 v.Chr. kwam de expansie tot een einde, mede vanwege interne verdeeldheid. Er ontstonden allerlei dynastieke intriges, die culmineerden in een kort interregnum door het Xin-huis van Wang Meng in 8-24 na Chr. Nadat de Han deze onderbreking te boven waren gekomen, verplaatsten zij hun hoofdstad naar Luoyang. China beleefde bijna twee eeuwen lang een periode van economische en culturele bloei, maar aan het einde van de 2e eeuw staken boerenopstanden weer de kop op, de gebruikelijke voortekenen van het einde van een vorstenhuis.
Sanguo (220-280)

De Han-dynastie viel in 220 na Chr., waarop China in 'Drie Rijken' (Sanguo) uiteenviel: Wei in het noorden, Shu Han in het zuidwesten, Wu in het zuidoosten.
Het Shu Han-rijk (221-263), met Chengdu (in het huidige Sichuan) als hoofdstad, werd gesticht door Liu Bei, een ver familielid van de Han-dynastie, die zich beschouwde als legitieme opvolger van de Han. Dit rijk breidde zich zuidwaarts uit tot in de huidige provincie Yunnan, vooral door de kwaliteiten van de legendarische strateeg en minister Zhuge Liang.
De Wei (220-265), met Luoyang als hoofdstad, baseerde zich op een strak bestuur en grote landbouwprojecten met militaire kolonisaties. In 263 slaagde Wei er in om Shu Han te veroveren.
Het Wu-rijk (221-280) had de Yangzi-delta en de rijstgebieden van het zuidoosten als economische basis. Hier woonden voornamelijk niet-Hanchinese volkeren als de Min, Yue en Dai, die wegtrokken of langzaam assimileerden.
Jin (265-419)

In 265 werd in de Wei-staat de macht overgenomen door een generaal die de Westelijke Jin-dynastie (265-317) stichtte. Deze dynastie regeerde over Wei en Shu Han en slaagde er in 280 in om ook Wu te veroveren, waardoor China weer werd verenigd. Het vorstenhuis moest de macht echter delen met de machtige clans van de Hanchinese landadel en had het flink te stellen met de etnische minderheden binnen zijn grenzen. In 311 werd de hoofdstad Luoyang door de Xiongnu verwoest. In het noorden ontstonden meer dan tien rijkjes, met heersers van diverse etnische oorsprong. Vele Han-Chinezen migreerden naar het zuiden, waar de Oostelijke Jin (317-419) een eeuw lang in naam het centrale gezag vertegenwoordigde.
Zuid en Noord (420-589)
Deze periode staat bekend als die van de Zuidelijke en Noordelijke Dynastieën. In het zuiden wierp een generaal de Jin omver en stichtte de Liu Song-dynastie (420-479), die werd gevolgd door diverse andere zwakke militaire dynastieën: Zuidelijke Qi (479-502), Liang (502-557) en Chen (557-589). Ondanks of dankzij de zwakte van de staat was er economische welvaart in het zuiden. De hoofdstad Jiankang (het huidige Nanjing) werd een grote en rijke handelsstad. De kleine landheren kregen steeds meer economisch en politiek gewicht.
In het noorden hadden de uit Mongolië afkomstige Toba in 386 een rijk gevestigd in Shanxi met als hoofdstad Datong. In de eerste helft van de 5e eeuw verenigde deze Noordelijke Wei het hele noorden. De dynastie sinificeerde vrijwel geheel, voerde een landhervorming door en vestigde een systeem van belastingen en arbeidsdiensten. In 493 werd de hoofdstad van dit welvarende rijk naar Luoyang verplaatst. In het begin van de 6e eeuw ontstonden er weer problemen met nomaden langs de noordgrens. De verchineeste Wei was niet in staat hen te onderwerpen. Dit gebeurde door de Erzhu, een nomadische stam in Shanxi, die vervolgens Luoyang verwoestten. Hierop viel de Noordelijke Wei uiteen. Noordoost-China kwam in handen van de Oostelijke Wei (534-550), met als hoofdstad Anyang. Dit vorstenhuis werd opgevolgd door de Noordelijke Qi (550-577). De Westelijke Wei (534-557) regeerde over Noordwest-China met Chang'an (Xi'an) als hoofdstad en werd opgevolgd door de Noordelijke Zhou (557-581), die in 577 ook de Noordelijke Qi onderwierp.
Ondanks al deze dynastieke omwentelingen verspreidde de Hanchinese cultuur zich over een groter gebied.
Sui (581-618)
Sui (581-618)
De Noordelijke Zhou werd in 581 door een van zijn eigen Chinese generaals, Yang Jian, omvergeworpen. Diens Sui-dynastie veroverde in 589 ook het zuiden, waarmee de Chinese eenheid opnieuw werd hersteld. Keizer Wendi, zoals Yang Jian werd genoemd, zette een centraal staatsapparaat op, met grote nadruk op verdienste om zo de invloed van de adel in te dammen. Zijn belastingsysteem was efficiënt en hij voerde een wetscode voor heel China in. Bij zijn dood in 604 was het Chinese rijk weer zeer welvarend. De hoofdstad Chang'an (Xi'an) was de grootste en rijkste stad ter wereld.
Yangdi, die zijn vader opvolgde, bracht verdere verbeteringen aan in het systeem van staatsbestuur, opleidingen en examens. Hij versterkte de controle over de Zijderoute, wist door een beleid van verdeel-en-heers de Turkse dreiging in het noordwesten te niet te doen en heroverde Noord-Vietnam. Yangdi liet enorme bouwwerken uitvoeren in Chang'an, liet kanalen en wegen aanleggen (waardoor de hoofdstad werd verbonden met de rijstgebieden van de Yangzi-delta) en gaf opdracht tot de herbouw van Luoyang als oostelijke en tweede hoofdstad. Dit alles betekende een enorme belasting voor de boeren die als dwangarbeiders het werk moesten uitvoeren.
Tang (618-906)

De laatste jaren van de Sui werden gekenmerkt door opstand en burgeroorlog. Nadat Yangdi naar het zuiden was gevlucht, liet een hoge ambtenaar, Li Yuan, zich in 618 tot keizer Gaozu van de Tang-dynastie uitroepen. Het bestuur van de Tang, dat voortbouwde op de instellingen van de Han en de Sui, was sterk gecentraliseerd. Iedere volwassen man kreeg land toegewezen en moest daarvoor belasting betalen en diensten verrichten.
Gaozu werd in 626 opgevolgd door zijn tweede zoon, Taizong. Diens heerschappij kenmerkte zich door het opbouwen van een loyaal ambtenarencorps. Taizong wist de Turken, die Noord-China bedreigden, in 630 beslissend te verslaan en hij herstelde het Chinese gezag over de Zijderoute. Perzen, Arabieren, Uyguren en joden kwamen langs deze handelsweg het land binnen. Zij hadden hun eigen wijken in Chang'an en Luoyang en brachten hun eigen cultuur en religies.
Onder Taizong en zijn opvolger Gaozong bereikte China een enorme omvang, tot in het huidige Pakistan, Iran, Afghanistan, Uzbekistan, Korea en Vietnam, terwijl vele rijken er omheen tribuut betaalden aan de Chinese keizer. Dit gold bijvoorbeeld voor Tibet, Japan, Nanzhao (een Dai-rijk in Yunnan) en allerlei Zuidoostaziatische staatjes. Zo rond 670 raakte de Tang echter in het defensief, moest zich terugtrekken uit Korea en werd bedreigd door Tibetanen en Turken. Binnenlands was sprake van een groeiende bevolking en bureaucratie, landconcentratie en te hoge militaire uitgaven.
Keizerin Wu, die het Chinese hof van 655 tot 705 domineerde, voerde enige hervormingen door in het bestuurssysteem met de nadruk op een geleerde elite. Na haar dood raakte het hof verder in de greep van bloedige intriges en corruptie. De regeerperiode van Xuanzong (712-756) zorgde voor een wederopleving. De generaals van de grensgebieden waren echter steeds machtiger geworden. De noordoostelijke generaal An Lushan kwam in 755 in opstand, waardoor de grensbewaking werd verwaarloosd. De opstand werd weliswaar onderdrukt, maar ten koste van een gebiedsuitbreiding van Tibet naar het noorden.
Intern kon de Tang haar macht alleen herstellen met behulp van de provinciale gouverneurs. In het noorden waren dat meestal generaals (en vaak eunuchen) met een hoge mate van zelfstandigheid die weinig van de belastingopbrengst naar het hof lieten vloeien. De keizerlijke hoofdstad werd steeds afhankelijker van de Yangzi-delta, die een sterke economische en bevolkingsgroei doormaakte. Hier was meer sociale mobiliteit en ontstond een bredere elite, bestaande uit een geletterde klasse van landheren en stedelijke kooplieden. Vanaf 830 kreeg het Yangzi-gebied echter te maken met natuurrampen, terwijl ook de belastingdruk steeds zwaarder werd. Er ontstond onrust die in het midden van de 9e eeuw culmineerde in rebellie, muiterij en opstanden. In 880 wist een bandietenleger Chang'an in te nemen. Ook nadat deze opstand was onderdrukt bleef het onrustig en was de Tang feitelijk een verzamelnaam voor elkaar bestrijdende regionale regimes.
Vijf en Tien (907-979)

De periode 907-979 staat bekend als die van de Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken. Er was sprake van grote verdeeldheid en iedere machthebber had de ambitie keizer van heel China te worden. Het was ook een tijd van sociale veranderingen. Het zuiden en het centrum maakten een snelle economische ontwikkeling door, terwijl in het noorden de macht van de aristocratische clans verzwakte.
Het noorden werd bestuurd door een opeenvolging van vijf dynastieën. De tien koninkrijken bevonden zich in Zuid- en Zuidwest-China. De Vroegere Shu (907-925), de Latere Tang (925-934) en de Latere Shu (934-965) omvatten achtereenvolgens het vruchtbare Sichuan en delen van provincies ten westen daarvan. Het Wu-rijk (902-937) en het Zuidelijke Tang-rijk (937-975) regeerden achtereenvolgens over de welvarende middenloop van de Yangzi. De Zuidelijke Tang breidde in 945 haar gebied uit met het Min-rijk (909-945) dat zich in het huidige Fujian had gevormd en in 951 met het Chu-rijk (907-951) van Hunan. Het Wu Yue-rijk (907-978) lag in het huidige Zhejiang en rond Shanghai en werd door bekwaam bestuur zeer welvarend. De Zuidelijke Han (907-971) in Guangdong en Guangxi was lang trouw gebleven aan de Tang-dynastie. Het had daarom veel voormalige Tang-ambtenaren aangetrokken en vele keizerlijke instituties behouden. Het gebied was commercieel welvarend door de handel met Zuidoost-Azië. Een expansiepoging richting Annam (Noord-Vietnam) mislukte rond 930. Het Jingnan-rijk (924-963), tenslotte, was een klein militair satraap in Hubei.
Noordelijke Song (960-1127)
De stichter van de Song-dynastie was een generaal van de Latere Zhou, die in 960 als keizer Taizu de troon in Kaifeng besteeg. Hij werd in 976 opgevolgd door zijn broer, keizer Taizong. Deze slaagde er in het zuiden in te lijven en China weer te verenigen. Ook wist hij door een hervorming van het bestuurssysteem de macht van de provinciale militairen in te dammen ten gunste van centraal gecontroleerde civiele ambtenaren. De Noordelijke Song raakte in het begin van de 12e eeuw echter in de problemen toen een reeks zwakke heersers samenviel met een hernieuwde expansiedrift van de rijkjes in het noorden.
Xixia (1038-1227)
In het noordoosten hadden hoofden van de Dangxiangstammen (Tanguten, aan de Tibetanen verwant) al onder de Tang een regionale macht opgebouwd. Zij bleven de Chinese keizer echter als suzerein erkennen, ook tijdens de Vijf Dynastieën en in het begin van de Song. Vanaf 1038 stichtten zij het onafhankelijke Xixia-rijk en zij zouden zelfstandig blijven tot ze in 1227 door de Mongolen werden veroverd. In hun rijk wisten de Dangxiang een eigen cultuur op te bouwen, met zowel Chinese als Tibetaanse elementen.
Liao (937-1125)
Een nog grotere bedreiging voor de Song was de confederatie van Qidanstammen in Mongolië en Manzurije. De Qidan stichtten een eigen rijk, namen daarbij veel over van het Chinese bestuur en noemden zich vanaf 937 de Liao-dynastie. De kracht van de Liao was het naar de Tang gemodelleerde bestuurssysteem in combinatie met een efficiënte militaire organisatie gebaseerd op de cavalerie. De Song moest na een serie oorlogen in 1005 de vrede afkopen met een grote jaarsom. De Liao was de suzerein van zowel Xixia als Korea en hield in Noord-China de machtsbalans in evenwicht. Vanaf 1115 kreeg de Liao echter te maken met de opkomst van de Nüzhen.
Jin (1115-1234)
In 1115 maakten de aan de Liao ondergeschikte Nüzhen in Manzurije zich onafhankelijk. Zij sloten een verbond met de Song tegen de Liao en slaagden er in in 1125 de Liao te overwinnen. Vervolgens keerden de Nüzhen zich tegen de Song en namen in 1127 de hoofdstad Kaifeng in. Het rijk van de Nüzhen, de Jin-dynastie, omvatte nu Manzurije en een groot deel van Noord-China.
Het bestuur werd gestoeld op de instellingen van de Tang en de Song. Hoewel de belangrijkste posten bezet werden door Nüzhen, werden ook vele bekwame en ervaren Chinezen en Qidan ingeschakeld. De economische basis van het rijk was de landbouw, waarbij de Nüzhen in militaire landbouwkolonies over de veroverde gebieden waren verdeeld en vele krijgsgevangenen als slaven werden gebruikt. Het Jin-rijk kreeg van zowel Xixia als Korea tribuut, terwijl de Zuidelijke Song een jaarsom betaalde als prijs voor de vrede.
Zuidelijke Song (1127-1279)
Door het ontstaan van het Jin-rijk werd de Song-dynastie in 1127 naar het zuiden verdreven, waar Hangzhou in de huidige provincie Zhejiang de nieuwe hoofdstad werd. Pas in 1141 sloten de Jin en de Song vrede, waarbij de Song een jaarlijkse schatting moesten betalen.
De opkomst van de Mongolen in het begin van de 13e eeuw werd aanvankelijk in Hangzhou niet bijzonder serieus genomen. Nadat deze nieuwe barbaren in 1234 de Jin hadden verdreven zag de Song zelfs kans de verloren gebieden ten zuiden van de Gele Rivier te heroveren. Dit leidde tot een Veertigjarige Oorlog met de Mongolen, die uiteindelijk in 1279 zegevierden en heel China onder hun controle brachten.
Yuan (1279-1368)
In 1206 wist Djenghiz Khan de stammen van Mongolië te verenigen. Met hun snelle cavalerie slaagden de Horden er in 70 jaar in om een wereldrijk te stichten dat zich uitstrekte van Midden-Europa tot Korea en van de Perzische Golf tot Vietnam. Kublai Khan, die in 1260 Groot-Khan werd, riep zich in 1271 tot keizer van de Yuan-dynastie uit en brak vervolgens in 1279 het verzet van de Song. Hij vestigde zijn hoofdstad in Dadu of Chanbaliq (het huidige Beijing).
De organisatie van het rijk was gebaseerd op het Chinese bestuurssysteem in combinatie met de Mongoolse militaire overheersing. In het bestuur kregen vele niet-Hanchinezen belangrijke posten. Daaronder was ook een zekere Marco Polo uit Venetië. De bevolking werd verdeeld in vier klassen: Mongolen, Centraalaziatische bondgenoten (meest Turken, zoals Uyguren), Hanren (Noord-Chinezen en de voormalige onderdanen van de Liao en Jin), en Nanren (`zuidelijken', de Chinezen uit het Zuidelijke Song-rijk). Etnische assimilatie werd tegengegaan, hoewel de Mongolen wel open stonden voor de cultuur en religie van de aan hen onderworpen volkeren. Vooral Tibetaanse lama's kregen vooraanstaande posities aan het Mongoolse hof.
De Pax Mongolica had veel invloed op de economie. De handel tussen China en Europa kwam tot nieuw leven en daarmee bereikten ook allerlei Chinese uitvindingen (zoals de boekdrukkunst, het kompas en het buskruit) Europa. Binnen China zelf was er sprake van een bloeiende handel tussen noord en zuid en oost en west, gebaseerd op de gerenoveerde waterwegen, het efficiënte wegen- en postsysteem en het gebruik van papiergeld (ook een uitvinding uit de Song).
Naast de steeds weer optredende conflicten rond de troonsopvolging hadden de Mongolen intern ook te kampen met de tegenstelling tussen degenen die aan de nomadische levenswijze wilden vasthouden en degenen die veel van de Chinese cultuur wilden overnemen. Er was in het begin weinig Chinese oppositie, behalve in de geschriften van intellectuelen. In de 14e eeuw waren er hier en daar wat lokale opstandjes, die uitgroeiden tot wijdverspreide onrust. De Rode Tulbanden vormden de belangrijkste verzetsbeweging tegen de Yuan. Zij slaagden er in 1368 in om de Mongolen te verdrijven.
Ming (1368-1644)
De leider van de Rode Tulbanden riep zich uit tot keizer Hongwu van de Ming-dynastie, met als hoofdstad Nanjing. Hongwu toonde niet alleen zijn kwaliteiten als generaal, maar ook als staatsman. Het bestuur werd gegrondvest op de geleerden-ambtenaren, de landbouw kwam tot nieuw leven na vele decennia onrust en verwoesting. Onder de derde Ming-keizer Yongle werd in 1420 de hoofdstad verplaatst naar Beijing. Het Chinese rijk breidde zich ook weer uit. Yongle zond zeven maritieme handelsexpedities naar Zuidoost-Azië, India, Arabië en de Oostafrikaanse kust. Na zijn dood kwam er echter van de kant van orthodoxe geleerden veel kritiek op deze handelsexpansie. De Ming raakte in zichzelf gekeerd en sloot zich steeds meer af. Voor de confuciaanse geleerden had de buitenwereld China niets te bieden, behalve tribuut in erkenning van de culturele suprematie van het Rijk van het Midden (Zhongguo).
De elite in Ming-China werd gevormd door hen die een graad hadden behaald in het examenstelsel en zich daardoor hadden gekwalificeerd voor een openbaar ambt. Deze geleerden-bestuurders kwamen over het algemeen uit welvarende, landbezittende families, mede omdat de opleiding vele jaren en veel geld kostte. Het curriculum bestond vooral uit confuciaanse klassieke werken, waardoor het bestuursapparaat ideologisch homogeen en conservatief was.
De Ming wordt, met de Han en de Tang, gezien als een van China's grote dynastieën. In cultureel opzicht was dit zeker het geval, hoewel er na de eerste keizers sprake was van een verstarring. Dat gebeurde in een periode dat Europa zich wel sterk veranderde en op het punt stond te expanderen, onder andere met behulp van oorspronkelijk Chinese uitvindingen.
De eerste Europeanen waar China in de Ming mee te maken kreeg waren in de 17e eeuw de jezuïeten. Zij bezorgden Europa een beeld van China als een statisch, maar goed bestuurd rijk waarin de rede de boventoon voerde.
In deze periode ging het echter niet meer zo goed met de Ming. De bevolking en de landconcentratie waren sterk toegenomen, terwijl er geen groei van de produktiviteit was. Zwakke keizers konden geen weerstand bieden aan intriges en de boeren kwamen op diverse plaatsen in opstand. Een van de opstanden nam grote vormen aan. In 1644 werd Beijing ingenomen en pleegde de laatste Ming-keizer zelfmoord.
Qing (1644-1912)
Terwijl de Ming-dynastie verzwakte wisten in het noordoosten de nakomelingen van de Nüzhen, de Manzu, een nieuwe macht op te bouwen. De Ming-generaal die de passen in de Grote Muur moest verdedigen zag de keizer aan boerenopstanden ten onder gaan en sloot een verbond met de Manzu. Toen dezen echter in 1644 in Beijing belandden, bleven ze daar ook en stichtten hun Qing-dynastie. De van oorsprong nomadische Qing-dynastie sinificeerde al snel, ook al trachtten de Manzu zich te blijven onderscheiden van de Han-Chinezen, die als teken van onderschikking hun haar in een staart moesten gaan dragen.
De 18e eeuw was de grote bloeiperiode van de Qing. Rond 1750 was China het sterkste, welvarendste en volkrijkste land ter wereld. Aan die bloei worden vaak de namen van enkele bekwame keizers verbonden, vooral Kangxi (1661-1722) en Qianlong (1736-96). Onder hen breidde het Chinese grondgebied zich ook naar het westen toe uit. In 1720 verdreef China de (Mongoolse) Dzungaren uit Tibet en in 1747 werd Tibet een Chinees protectoraat. De Dzungaren werden in 1756 definitief verslagen. Hun territorium in Türkestan werd door de Qing als Xinjiang (`nieuw grensgebied') bij het rijk gevoegd.
Aan het eind van de 18e eeuw begon China echter in problemen te geraken. De bevolking was in aantal toegenomen van ca. 200 miljoen in 1650 tot ca. 350 miljoen in 1800, terwijl de hoeveelheid bebouwbare landbouwgrond en de produktiviteit gelijk waren gebleven. In het begin van de 19e eeuw werd het land bovendien geplaagd door diverse natuurrampen, die deels plaats konden vinden vanwege slecht onderhoud van irrigatiewerken als gevolg van corruptie aan het hof.
Vernedering
Tot de 19e eeuw vormden de Westerlingen voor China nauwelijks een probleem. Vanuit de traditionele visie dat China het centrum van de wereld was stond het Rijk van het Midden grootmoedig de aanwezigheid van wat buitenlanders en wat handel toe. Missionarissen, vooral jezuïeten werden getolereerd vanwege hun wetenschappelijke kennis (vooral met betrekking tot astronomie) en het feit dat zij zich zoveel mogelijk aanpasten aan het confucianisme. Toen de Paus in 1704 echter bepaalde dat voorouderverering door Chinese bekeerlingen niet meer was toegestaan, werden de grondvesten van de Chinese staatsleer aangetast. Het christendom werd sindsdien openlijk vervolgd en missionarissen werden uitgebannen (de zgn. `Ritenstrijd').
Van de handelslieden zou het Chinese rijk minder makkelijk afkomen. Aanvankelijk was de aanwezigheid van westerse handelslui voornamelijk beperkt tot Guangzhou, waar zij op het eiland Shamian factorijen mochten hebben. De handel was nogal eenzijdig: Europa kocht produkten als thee, porselein, katoen en zijde (waarvoor het met zilver betaalde), maar kon andersom vrijwel niets aan de Chinezen kwijt. De Britten, bezig met een wereldwijde expansie, vonden in opium het antwoord: goedkoop in India te produceren, gemakkelijk te vervoeren, hoge winsten en een groeiende markt in China. De Qing verbood de import van opium, maar zonder succes. De import steeg van 1000 kisten (een kist is 70 kg) in 1773 tot 26.000 kisten in 1836. Het aantal verslaafden liep in de miljoenen en de zilverstroom vloeide nu het land weer uit. Dit zorgde voor een waardestijging van zilver, voor velen een economische ramp omdat zij hiermee hun belastingen of schulden moesten betalen. In 1839 verbrandden Chinese ambtenaren de in de factorijen aanwezige opium. Dit was de aanleiding voor de Opiumoorlog (1839-42), waarvan het `openen' van China voor vrije handel echter het achterliggende motief was. China werd vernietigend verslagen en kreeg bij het Verdrag van Nanjing een hoge boete opgelegd, moest vijf havens voor buitenlandse handel openen, Britse consuls toelaten en Hongkong afstaan. Dit was de eerste van een hele serie `Ongelijke Verdragen' waarbij Westerse landen en later ook Japan allerlei concessies afdwongen en China afgleed naar een semi-koloniale status.
Boerenopstanden
De Qing-dynastie kreeg ook binnenlands steeds meer problemen. Tot het uiterste gedreven boeren kwamen in alle delen van het land in opstand, daarbij geleid door `geheim-genootschappen'. Van 1850-64 woedde de Taiping-revolutie, die in het zuidelijke Guangxi ontstond en zich over meer dan tien provincies in Zuid- en Centraal-China verbreidde. De ideologie was een mengeling van christendom en daoïstisch millenarisme. Het doel was de Grote Vrede (Taiping) op aarde te vestigen, een samenleving van gelijkheid en gemeenschappelijk bezit. Nanjing werd de hoofdstad van hun rijk. Pas na 14 jaar kon de opstand worden neergeslagen.
Tegelijk had de Qing-dynastie te maken met de Nian-opstand (1852-68) in Henan en Anhui. Deze opstand werd deels gedragen door leden van de Witte Lotus-sekte en kreeg vooral aanhang door de rampspoed en overstromingen als gevolg van een verlegging van de loop van de Gele Rivier. Een tak van de Triaden, het Kleine Zwaard Genootschap (Xiaodaohui), die zijn steun vond onder door het kolonialisme werkloos geworden zeelui en handwerkers, kwam in 1853-55 rond Shanghai in opstand en werd door Franse en keizerlijke troepen onderdrukt. In Guizhou was een opstand van Miao-stammen, die duurde van 1854-72. In Yunnan kwamen lokale moslims in opstand (1856-73). Ook in Gansu was er een grote moslimopstand, van 1862-75.
Tweede Opiumoorlog
Hoewel de Westerse machten de Qing steunden om het centrale gezag te behouden, wilden zij tegelijkertijd dat de dynastie zwak bleef zodat zij het hof konden chanteren en domineren. In 1856 werd een incident op het schip Arrow in Guangzhou aangegrepen voor de Tweede Opiumoorlog (1856-1860). De gezamenlijke Brits-Franse strijdmacht nam Guangzhou en Tianjin in en bezette in 1860 de hoofdstad, waarbij het Zomerpaleis grondig werd verwoest en vele kunstschatten werden gestolen. China moest de Conventie van Beijing aanvaarden, waarbij ambassadeurs op basis van gelijkwaardige verhoudingen tussen staten (ongekend in China) in Beijing moesten worden toegelaten, er nog eens tien havens geopend werden, China weer een flinke strafsom moest betalen en Kowloon (bij Hongkong) aan de Britten afstaan.
China bevond zich nu in de wurggreep van het imperialisme. Frankrijk bezette China's tribuutrijk Vietnam en verkreeg via een veldtocht in 1884-85 invloed in Yunnan (van belang vanwege de mijnbouw en bosbouw aldaar).
Zelfversterking
Met als devies "leer de superieure barbaarse technieken om de barbaren te controleren" en op initiatief van enkele hoge Hanchinese bestuurders stemde het hof in met een Zelfversterkingsbeweging. Er werden enkele nieuwe ministeries opgezet (o.a. voor buitenlandse zaken), moderne wapenfabrieken opgericht en het leger werd op moderner leest geschoeid. De beweging ging er van uit dat de Chinese beschaving in feite superieur was en men slechts snel de opgelopen materiële achterstand hoefde in te lopen om de `barbaren' de baas te worden en de zwaar gekrenkte zelftrots te herstellen. Inderdaad slaagden de naar westers voorbeeld opgeleide legers er in 1860-75 in om de meeste binnenlandse opstanden de kop in te drukken (met enige hulp van Westerse troepen). Deze legers werden echter niet door Manzu, maar voornamelijk door Hanchinese provinciale gouverneurs geleid. Hierdoor konden deze hun positie ten opzichte van het hof versterkten. Geen wonder dat de conservatieve krachten aldaar, die zich rondom keizerin-weduwe Ci Xi hadden verzameld, niets van de Zelfversterkers moesten hebben. Ci Xi was van 1861 tot 1908 de feitelijke heerseres van China, zij het van achter een scherm.
Vanwege de beperkte doelstellingen van de Zelfversterkers, de tegenstrijdigheden in hun programma, interne corruptie en conservatief verzet kwam de beweging niet echt van de grond. Dat bleek duidelijk in 1894, toen Japan een greep in de koloniale grabbelton deed. Een incident werd aangegrepen om Korea binnen te vallen en China zond troepen ter verdediging van zijn tribuutrijk. De `moderne' Chinese legers werden compleet verslagen. China moest Taiwan en enkele eilanden aan Japan afstaan, toestaan dat Korea `onafhankelijk' werd en zoals gebruikelijk boete betalen en meer havens openen.
Hervormingsbeweging en Boksers
Met het faillissement van de Zelfversterkingsbeweging kreeg een groep Chinese geleerden onder aanvoering van Kang Youwei van keizer Guangxu een kans om hun diepgaander hervormingsprogramma uit te voeren. Tijdens de Hervormingen van de Honderd Dagen in 1898 werd een reeks van maatregelen afgekondigd. Vooral de verandering van de klassieke examens schokte vele confuciaanse ambtenaren. Keizerin-weduwe Ci Xi greep in, draaide de hervormingen terug en nam weer zelf de touwtjes in handen omdat de keizer `ziek' was. In de plaats van structurele hervormingen kreeg xenofobie weer de overhand. Anti-buitenlandse gevoelens onder de bevolking werden getolereerd en zelfs aangemoedigd. Het misnoegen richtte zich vooral tegen de missionarissen.
In deze context kon een lokale opstandige beweging uit Shandong rond de eeuwwisseling uitgroeien tot een massaal verzet tegen de buitenlandse overheersing. De opstandelingen noemden hun organisatie het Verbond van Harmonieuze Vuisten (Yihetuan), meestal Bokserbeweging genoemd. De Boksers dachten door hun met rituelen omgeven krijgskunst onkwetsbaar te zijn. De opstand breidde zich al snel naar het noorden uit, waarbij vooral missieposten het moesten ontgelden. In 1900 belegerden de Boksers de buitenlandse legatiewijk in Beijing, hierin tersluiks gesteund door de keizerin-weduwe. Pas na 55 dagen slaagden gezamenlijke buitenlandse troepen er in de legaties te ontzetten en de Boksers te verslaan. China werd gedwongen tot een vredesverdrag, met een zeer hoge boetesom, terwijl Rusland van de gelegenheid gebruik maakte om delen van Manzurije te bezetten.
Einde van de Qing
De Qing-dynastie had, ook in de ogen van het volk, alle geloofwaardigheid verloren. In 1906 werden weliswaar politieke hervormingen afgekondigd, maar deze kwamen veel te laat. In 1908 overleed de keizerin-weduwe, de troon overlatend aan haar driejarige achterneefje Pu Yi. De initiatieven kwamen niet langer uit de Verboden Stad. Overal in het land waren politieke geheime verbonden ontstaan, die waren beïnvloed door westerse denkbeelden en moderniseringen op allerlei gebieden voorstonden. Een daarvan was het Tongmenghui, in 1905 door de arts Sun Yatsen opgericht. Diens politieke leer werd samengevat in de Drie Volksbeginselen (sanmin zhuyi): nationalisme, democratie en volkswelvaart. Sun werd de belangrijkste figuur in het opkomende Chinese nationalisme, ook al had hij in het begin bij zijn pogingen tot opstand weinig succes.
Republiek (1912-1949)
Revolutie van 1911 Op 10 oktober 1911 sloeg in Wuchang (deelstad van het tegenwoordige Wuhan) na een incident de vlam in de pan. De plaatselijke opstand werd tot de Revolutie van 1911 toen binnen enkele weken de ene na de andere stad en provincie zich tegen de Qing verklaarde. In Nanjing werd door de revolutionaire afgevaardigden de Republiek China uitgeroepen en een regering benoemd met Sun Yatsen als voorlopig president. De Republikeinen waren voor hun succes echter afhankelijk van de steun van regionale militaire machthebbers: de generaals die sinds de tweede helft van de 19e eeuw sterke legers hadden opgebouwd. De belangrijkste was Yuan Shikai, de bevelhebber van het moderne Noordelijke Leger. Deze was door de Qing te hulp geroepen om de revolutie te onderdrukken, maar had de republikeinse kant gekozen. Sun Yatsen sloot een verbond met Yuan Shikai en deze zorgde ervoor dat de inmiddels vijfjarige Pu Yi afstand van de troon deed. Yuan werd de eerste president van de republiek. De daaropvolgende verkiezingen werden gewonnen door de nieuw gevormde Nationalistische Partij (Guomindang) van Sun Yatsen. Yuan Shikai wilde echter geen democratie, maar een nieuwe dynastie stichten. In 1913 onderdrukte hij de Guomindang en vervolgens trof hij voorbereidingen om zichzelf tot keizer te laten proclameren. Voor het zover kon komen overleed hij echter in 1916.
Beweging van de 4e Mei
Met Yuan Shikai dood en het centrale apparaat lamgelegd, viel China de facto in verschillende regio's uiteen. Tot 1928 werd de dienst uitgemaakt door steeds wisselende coalities van regionale militaire machthebbers: de krijgsheren of warlords. Het zwakke centrale gezag kon niet voorkomen dat de Japanners tijdens de eerste wereldoorlog de Duitse concessiegebieden in China innamen. Bij de Vredesbesprekingen in Versailles, die op de oorlog volgden, gaven de Westerse machten toe aan de Japanse druk en lieten Japan de voormalig Duitse concessies behouden. Toen dit in China bekend werd gingen eerst studenten en daarna ook anderen de straat op en waren er anti-Japanse stakingen. Dit is bekend geworden als de nationalistische Beweging van de 4e Mei (1919). Het begon met demonstraties, stakingen en boycotacties, maar werd ook een beweging voor culturele en sociale modernisering. Items waren onder andere het gebruiken van de spreektaal bij het schrijven en vrouwenemancipatie.
Beifa
Toen de Guomindang in 1913 door Yuan Shikai werd vervolgd, vluchtte Sun Yatsen eerst naar Guangzhou en vervolgens naar het buitenland. In 1921 probeerde hij vanuit Guangzhou een nieuwe revolutie te ontketenen. Zijn weer tot leven geroepen Guomindang kreeg echter geen steun van de Westerse machten of Japan en de beweging mislukte. Sun wendde zich hierop tot de nieuwbakken Sovjetunie, die hem wel wilde steunen, mits hij samen zou werken met de in juli 1921 in Shanghai opgerichte Communistische Partij van China (CPC). Sun stemde hiermee in en via bemiddeling van de Comintern afgevaardigden Maring (Henk Sneevliet) en Borodin kwam een samenwerking tot stand. Deze hield in dat de communistische leiders ook van de Guomindang lid zouden worden en verantwoordelijke posten in deze partij zouden krijgen.
Om een modern leger op te bouwen dat de krijgsheren het hoofd kon bieden werd met Sovjethulp de Whampoa Militaire Academie opgericht, geleid door de jonge Guomindang-officier Chiang Kaishek en met de communist Zhou Enlai als politiek instructeur. De reorganisatie verliep voorspoedig. Toen Sun Yatsen in maart 1925 overleed, werd hij opgevolgd door Chiang Kaishek. Het jaar daarop begon de Noordelijke Veldtocht (Beifa) tegen de krijgsheren. De snel in aantal toegenomen communisten (inmiddels enkele tienduizenden) bereiden met opstanden en stakingen de weg voor het nationalistische leger. Nadat het strategische Hankou (nu deel van Wuhan) was genomen lag de weg naar Shanghai open. In deze periode stak binnen de Guomindang echter een ernstige verdeeldheid de kop op. Het conservatieve deel van de partij steunde op landheren, industriëlen en beroepsmilitairen en was bevreesd voor de toenemende invloed van de communisten die ook sociale hervormingen wilden. Deze mensen forceerden in Shanghai een breuk met de communisten. Deze stad was door de communistische vakbonden onder leiding van Zhou Enlai met stakingen en gewapende opstand rijp gemaakt voor een triomfantelijke intocht van het Guomindang-leger. In het geheim had Chiang Kaishek, die inmiddels stevig in de conservatieve vleugel was geworteld, echter de diensten gekocht van een gangstergenootschap. Deze criminele organisatie richtte het Bloedbad van Shanghai aan, waarbij duizenden communisten en activisten werden vermoord. Wie in leven kon blijven vluchtte of dook onder. Chiang Kaishek zette zijn Beifa onverminderd voort. Sommige krijgsheren sloten zich bij hem aan, andere werden overwonnen. In juni 1928 viel Beijing en kon Chiang zich de nieuwe leider van China noemen. De hoofdstad van de Guomindangregering werd Nanjing.
Lange Mars
Toen de communisten ondergronds werden gedreven poogden zij tevergeefs om in een aantal steden een opstand te ontketenen. Direct resultaat hiervan was wel het ontstaan van een eigen leger. De gedecimeerde partij splitste zich in hierop in tweeën: een stedelijke tak onder leiding van mensen als Zhou Enlai en Liu Shaoqi, die ondergronds verzet moest aanwakkeren, en een plattelandstak die zich terugtrok in onherbergzame gebieden op het Zuid-Chinese platteland, waar zij Rode Bases stichtte. In deze tak speelde Mao Zedong, een van de medeoprichters van de partij, een steeds belangrijker rol. De stedelijke tak werd echter als de belangrijkste beschouwd. Volgens het orthodox marxisme moest de revolutie het immers van het stedelijk proletariaat hebben.
Vanaf 1930 probeerde de Guomindang in diverse Omsingelingscampagnes de Rode Bases te vernietigen. Tot 1933 slaagden zij daar niet in, onder andere vanwege Mao's beweeglijke guerrillatactieken. In 1934 zette Chiang, bijgestaan door Duitse Nazi-adviseurs, echter zoveel troepen in, dat de communisten geen andere uitweg zagen dan een zo orderlijk mogelijke vlucht. Honderdduizend mannen en 35 vrouwen begonnen aan de legendarisch geworden Lange Mars. Het was een verschrikkelijke tocht door onherbergzame streken. Zij werden voortdurend achtervolgd en bestookt door Nationalistische troepen. Tijdens de Mars werd Mao Zedong in januari 1935 in het plaatsje Zunyi (Guizhou) de leider van de CPC, waarbij zijn theorie van boerenrevolutie en beweeglijke militaire tactiek tot leidraad werd. Na 10.000 km te hebben afgelegd, door 11 provincies te zijn getrokken en 24 rivieren te zijn overgestoken, bereikte het tot 8000 mensen uitgedunde Rode Leger de provincie Shanxi in het noorden. Later volgden nog 22.000 onderweg afgehaakte soldaten. De rest was gestorven of gedeserteerd. Vanuit hun nieuwe guerrillabasis, met Yan'an als centrum, zouden de communisten hun macht opnieuw opbouwen.
Oorlog tegen Japan
Intussen dreigden nieuwe donkere wolken voor China. In 1931 was Japan het noordoosten binnengevallen en in het jaar daarop hadden zij daar de marionettenstaat Manzuguo gesticht, met de laatste Qing-keizer Pu Yi als titulair staatshoofd en keizer. Chiang Kaishek liet de Japanners begaan omdat hij eerst de communisten wilde verslaan. Vooral de Nationalistische soldaten die afkomstig waren uit het noordoosten waren het met deze opstelling niet eens. Hun bevelhebber, Zhang Xueliang, weigerde tegen de communisten in Yan'an te vechten terwijl Japan zijn geboortestreek steeds meer overheerste en uitbuitte. Chiang vloog eind 1936 naar Xi'an om Zhang tot de orde te roepen. De anti-Japanse stemming was echter zo sterk dat Chiang door officieren van Zhang werd ontvoerd. Onder druk van zijn noordoostelijke generaal en na gesprekken met Zhou Enlai namens de CPC stemde Chiang er mee in de onderlinge strijd te stoppen en gezamenlijk de Japanners te bestrijden. Terwijl die gesprekken nog gaande waren gingen de Japanners tot de volledige aanval over. Zij veroverden Beijing, Tianjin, Shanghai en Nanjing. De Guomindang moest zich terugtrekken, eerst naar Wuhan en vervolgens naar Chongqing. Aanvankelijk verzette de Guomindang zich naar vermogen tegen de Japanse opmars. Al snel bleek echter dat de organisatie en motivatie binnen het leger op een zeer laag pitje stonden. Bovendien probeerde Chiang zijn troepen zo veel mogelijk te sparen om zijn potentiële militaire overwicht ten opzichte van de communisten te behouden.
Vanuit hun `revolutionaire basis' in Yan'an namen de communisten snel in kracht en aantal toe. Met de schaarse hulpmiddelen werd creatief omgesprongen. Dankzij sociale hervormingen en een gedisciplineerd optreden van het Rode Leger kregen de communisten de steun van de boerenbevolking. Het Rode Leger groeide van 1937 tot 1945 van 70.000 tot 900.000 man. Met hun guerrillatactieken brachten de communisten de Japanners veel schade toe en hielden zij een groot deel van het Japanse leger in Noord-China vast. De Guomindang zag de toenemende macht van de communisten met lede ogen aan. Zij legde zelfs een blokkade rond het Yan'angebied om uitbreiding te voorkomen. Van een eenheidsfront tegen Japan was dus in feite geen sprake.
Vanaf 1941 kreeg de Guomindang financiële en militaire steun van de Verenigde Staten, die China zag als het strategisch belangrijkste gebied in de oorlog tegen Japan. Amerikaanse adviseurs ter plekke zagen met afgrijzen dat Chiang niet echt vocht tegen Japan en veel van de gegeven wapens en de beste troepen in reserve hield.
Burgeroorlog
Na twee atoombommen in augustus 1945 was het afgelopen met de tweede wereldoorlog in Azië. Mede onder druk van de Verenigde Staten en de Sovjetunie kwam het tot besprekingen tussen de Guomindang en de CPC om een coalitieregering te vormen. Het onderlinge wantrouwen was echter groot en beide partijen beijverden zich om als eerste de door de Japanners bezette gebieden over te nemen. Met hulp van de VS slaagde de Guomindang er in de meeste grote steden en het zuiden te bezetten, terwijl de CPC heer en meester was op het platteland in Noord-China. Begin 1946 kwam het door bemiddeling van generaal Marshall (van het Marshall Plan) tot een wapenstilstand. Nieuwe besprekingen leverden echter niets op. De Guomindang eiste de ontbinding van het Rode Leger voordat over een coalitieregering kon worden gepraat, de CPC eiste op zijn beurt de onmiddellijke vorming van een coalitieregering voordat gesproken kon worden over een ontbinding van het Rode Leger.
Chiang was overtuigd van de militaire overwinning. Zijn leger was vijfmaal zo groot en veel beter uitgerust dan het Rode Leger, hij beheerste de grote steden en de verbindingen en hij kreeg Amerikaanse steun. Hij onderschatte echter de afkeer van de bevolking jegens zijn corrupte regime en de snel groeiende populariteit van het Rode Leger, inmiddels tot Volksbevrijdingsleger omgedoopt. Dankzij landhervormingen in de door hen gecontroleerde gebieden kregen de laatsten de onvoorwaardelijke steun van de boerenmassa. De moraal van het nationalistische leger was bovendien laag. Hele divisies liepen naar de communisten over, die er vanaf 1947 in slaagden om het initiatief te nemen. De stedelijke bolwerken werden eerst omsingeld en vervolgens ingenomen. Beijing en Tianjin vielen in januari 1949, in april volgden Nanjing en in mei Shanghai en Wuhan. Het communistische leger was inmiddels gegroeid tot meer dan 4 miljoen manschappen, terwijl het Nationalistische leger tot minder dan 1 miljoen soldaten was ineengeschrompeld. Chiang Kaishek koos eieren voor zijn geld en vluchtte met zijn gevolg naar Taiwan.
