Dandong is een stad die zich de laatste jaren snel heeft ontwikkeld. Er zijn vliegverbindingen met Beijing, Shanghai en andere Chinese steden. Per spoor zijn er verbindingen met Shenyang en Beijing en met Pyongyang.
Dandong beroemt zich op een geschiedenis die teruggaat tot de Tang-dynastie (618-907). Midden 7e eeuw werd hier een protectoraat opgezet. Eind 16e eeuw werd 10 km ten noordoosten van de huidige stad een fort gebouwd. Maar tot het midden van 19e eeuw was Dandong (tot 1965 Andong geheten) een onbeduidend dorp. De daarna schoorvoetende intrede van de industrialisatie en de groeiende behoefte aan industrieel hout brachten verandering in deze situatie. Andong werd een belangrijk verzamelpunt voor het transporteren van in de omgeving gekapt hout naar de rest van China. In de omgeving vestigden zich kolonisten, vooral uit de provincie Shandong, die er soja gingen verbouwen. In 1876 kreeg het de status van districtsstad. Andong had een handelsvloot van jonken die voeren op Tianjin, Qingdao en Shanghai.
Begin 20e eeuw werd Andong per spoor verbonden met Mukden (Shenyang). Deze spoorweg werd beheerst door Japan dat na de Russisch-Japanse oorlog van 1905 het gebied controleerde. De haven diende voor de uitvoer van goederen uit Manzurije naar Japan. Maar de toegang tot de zee (25 km van de stad) verziltte.
Tijdens de Japanse bezetting (1931-45) werd begonnen met een diepzeehaven, maar die werd niet afgemaakt. Wel kwam er industrie, vooral textiel, naar Dandong en werd de houtverwerkende verder gestimuleerd.
Sinds 1949 is de industrie uitgebreid en gediversifieerd met chemische industrie, papier, rubber, en vooral licht industrie zoals de productie van horloges, zijde-industrie (eind maart is er in Dandong een Oriental Silk Festival) en voedselverwerkende industrie (i.h.b. vis, kastanjes en ginseng).