Geschiedenis
De geschiedenis van Tibet is veel gecompliceerder dan soms wordt voorgesteld. De nu dominante Geelmutsen Sekte (waarvan de Dalai lama het hoofd is) wist in de 17e eeuw met hulp van de Mongolen andere Tibetaanse sekten te verslaan. Een eeuw later werden de Mongolen verslagen met Chinese hulp en erkende Tibet onderschikking aan de keizer.
Van 1912 tot 1949 was China in burgeroorlog en verloor het gezag over Tibet.
De Volksrepubliek beschouwde zich als erfgenaam van het keizerrijk en alle gebieden die daartoe behoorden. Onder dreiging van een opmars van het leger erkende Tibet in 1951 deel van China te zijn. De (toen 16-jarige) Dalai Lama mocht aanblijven als geestelijk leider, maar zijn wereldlijk gezag werd duidelijk ingeperkt. Tegelijk kwamen er, vooralsnog, in de buitengebieden hervormingen waarbij de kloosters hun macht als feodale landheren verloren. Tegen die achtergrond ontstond de opstand die culmineerde in de vlucht van de Dalai Lama in 1959. Daarna werd in heel Tibet de sociaal-economische macht van de kloosters gebroken.
De Culturele Revolutie (1966-76) betekende dat in heel China alles wat oud, feodaal en 'bijgeloof' was radicaal werd aangepakt. In Tibet resulteerde het in de verwoesting van veel tempels en kloosters en onderdrukking van de religie en tradities.
Daarna kwam er weer wat vrijheid, binnen de beperkte Chinese definitie van religie, terwijl in het oude Tibet religie veel meer was dan geestelijk leven. Ook economisch ging het geleidelijk wat beter. De nieuwe vrijheid maakte ook contacten met de buitenwereld, waaronder het ballingsoord Dharamsala, gemakkelijker.
Eind jaren '80 waren er in Lhasa demonstraties die door het Chinese leger de kop in werden gedrukt. Sindsdien is er een ambivalent evenwicht.
Lhasa moderniseert en ook Tibetanen nemen daarin deel. Tegelijk is er een wederopleving van de religie en de macht van de kloosters hetgeen door de overheid met wantrouwige argusogen wordt bezien.